login

Wachtwoord vergeten/aanvragen?

Zaaizaden

Groenbemesters

De teelt van groenbemesters is in toenemende mate belangrijk om de bodemvruchtbaarheid van de grond te verbeteren of intact te houden. Ook wordt een groenbemesters steeds meer gezien als tussen gewas om stikstof (nitraatstikstof) vast te leggen zodat deze niet uitspoelt naar het grondwater.
De groenbemester wordt voor de volgende teelt weer door de grond gewerkt zodat bij vertering de stikstof weer vrijkomt voor een nieuw gewas. De keuze van groenbemesters wordt veelal bepaald door het zaaitijdstip, de conditie van de bodem en de aanwezigheid van bodemgebonden ziekten.

  • grasgroenbemesters
  • bladrammenas
  • gele mosterd
  • facelia
  • rogge
  • klaver
  • voederwikken
  • lupinen
  • afrikaantjes

Meest gebruikte groenbemesters zijn de grassen (engels, italiaans en westerwoldsraaigras). Grassen leveren veel organisch materiaal en zijn weinig structuurgevoelig. Eventueel kan ook nog een onkruidbestrijding uitgevoerd worden. Grasgroenbemesters zijn niet verwant aan de meeste rooivruchten. Nadeel van grasachtigen is dat zij het vrijlevend wortelaaltje (Trichodorus) vermeerderen.

Bladrammenas en gele mosterd zijn de daarop volgende groenbemesters. Zij beschikken doorgaans een goede resistentie tegen het bietencysteaaltje (rasafhankelijk). Hiervoor worden ze dan ook vaak ingezet, daarnaast kan het vrijlevende wortelaaltje (Trichodorus) zich slecht vermeerderen op het bladrammenas). Verder beschikken deze groenbemesters over een penwortel die diep kan wortelen en storende lagen in de grond kan doorbreken waardoor de doorlaatbaarheid van de bodem verbetert.

Rogge (winterrogge) wordt als groenbemester vrijveel gebruikt lichte zavel en zandgrond welke in het voorjaar geploegd worden. Rogge kan laat in de nazomer of herfst nog gezaaid worden. Rogge is een gewas wat onder koude omstandigheden lang doorgroeit. Op deze wijze wordt de bodem toch nog bedekt in de winter zodat deze minder snel verslempt en doorlaatbaar blijft.

Vlinderbloemige groenbemesters als klaver, wikken en lupinen worden veel gebruikt in de biologische landbouw om stikstof uit de lucht te binden en vast te leggen in wortelknobbeltjes (Rhizobium). Op deze wijze worden de na teelten voorzien van een betere bemesting en een betere bodemstructuur.

Afrikaantjes zijn de laatste jaren wat in opkomst omdat deze plant de populatie van het vrijlevende wortelaaltje Pratylengus penetrans kan terugdringen. Bepaalde grondsoorten zijn gevoelig voor dit aaltje (zandgronden). Door een tussen teelt met Afrikaantjes is dit probleem deels opgelost.

floraweg 1, 8312rk, creil